Terminologie

A

Aandelen

Een type effect dat een eigendomstitel vertegenwoordigt in een bedrijf of vennootschap. Gewone aandelen, preferente aandelen en converteerbare effecten zijn types van aandeleneffecten.

Aandeel/gewoon aandeel

Een effect dat een gedeeltelijke eigendom, of eigen vermogen, in een onderneming vertegenwoordigt. Elk aandeel vertegenwoordigt een gedeelte van de activa en winsten van een onderneming, waarvan een gedeelte kan worden uitbetaald als dividenden.

Alfa

Alfa is een graadmeter voor het verschil tusen de reële rendementen van een fonds en zijn verwachte rendementen in functie van zijn risico, dat wordt aangeduid door zijn bèta. Een positief alfacijfer geeft aan dat het fonds beter heeft gepresteerd dan zijn alfa zou voorspellen. Een negatieve alfa daarentegen wijst erop dat een fonds inferieur heeft gepresteerd, gelet op de verwachtingen die de bèta van het fonds aanduiden. Sommige beleggers beschouwen de alfa als een graadmeter voor de toegevoegde waarde die een fondsbeheerder creëert of vernietigt.

Asset Allocatie

Omschrijft de samenstelling van een fonds of van een individuele portefeuille. Voor aandelenfondsen omvat dit een geografische en sectoriële opsplitsing. Voor obligatiefondsen toont dit de valutablootstelling van het fonds en de opsplitsing tussen overheidsobligaties, bedrijfsobligaties en andere vastrentende effecten.

B

Basisvaluta

De valuta waarin een bepaald fonds is uitgedrukt: fondsen binnen de Franklin Templeton Investment Funds kunnen worden uitgedrukt in US dollar of in euro. De basisvaluta impliceert niet dat alle, de meeste of bepaalde effecten in de portefeuille worden uitgedrukt in die valuta. Het is daarentegen een graadmeter die wordt gebruikt om de waarde van deze portefeuilles te berekenen. We verwijzen naar het prospectus voor specifieke informatie. Transacties in de Franklin Templeton Investment Funds kunnen gebeuren in elke grote valuta, onafhankelijk van de basisvaluta van het fonds.

Benchmark

Een niet-beheerde groep effecten waarvan het totaalrendement wordt gebruikt als een graadmeter om de beleggingsrendementen te meten.

Bèta

Een maatstaf voor de omvang van historische schommelingen van de aandelenkoers van een portefeuille, in verhouding tot de stijgingen en dalingen van de brede markt (of gepaste marktindex). De markt (of index) krijgt een bèta van 1,00 toegekend, zodat een portefeuille met een bèta van 1,20 zijn aandelenkoers met 12% zou zien stijgen of dalen wanneer de brede markt met 10% zou stijgen of dalen.

BEVEK

Acroniem voor een juridische structuur van een 'Beleggingsvennootschap met veranderlijk kapitaal'. We noemen het ook wel eens een open-end beleggingsvennootschap. Aangezien Beveks doorgaans een aantal compartimenten bevatten, worden zij vaak paraplufondsen genoemd.

C

Cashflow

In boekhoudkundige termen betekent cashflow het bedrag aan cash dat verdiend wordt tijdens een bepaalde periode. Dit wordt berekend door de nettowinst na belastingen toe te voegen aan niet-cash kosten zoals afschrijvingen, waardeverminderingen en buitengewone lasten aan de reserves. Soms wordt dit gebruikt als een indicator van de waarschijnlijkheid waarmee een bedrijf dividenden zal uitkeren.

Chapter 11

Dit is een onderdeel van de zogenaamde United States Bankruptcy Code, waarmee de activiteiten kunnen verdergezet en er ondertussen een herstructurering komt onder de falingswetgeving van de Verenigde Staten. Chapter 11 faling is beschikbaar voor alle bedrijven, of zij nu georganiseerd zijn als vennootschap of eenmanszaak, en ook voor individuen, hoewel dit doorgaans wordt gebruikt door vennootschappen.

D

Discreet jaarlijks rendement

De procentuele stijging of daling van de aandelenkoers of NIW van een portefeuille over een volledige periode van 12 maanden, met herbelegging van de netto-inkomsten (dividenden). Het rendement van het fonds wordt doorgaans afgezet tegenover een relevante index of sector.

Diversificatie

De strategie waarbij belegd wordt in verschillende activaklassen en in de effecten van talrijke emittenten in een poging om het algemene beleggingsrisico verder af te bouwen.

Dividend

Een uitkering van inkomsten aan aandeelhouders die doorgaans afkomstig is van het netto-inkomen van het fonds. Een verandering van het dividendpercentage of -bedrag beïnvloedt de aandelenkoers van het fonds niet.

Dollar Cost Averaging

Een beleggingsstrategie waarbij hetzelfde bedrag op regelmatige tijdstippen wordt belegd in het fonds. Aangezien men meer aandelen kan kopen wanneer de koersen laag zijn en minder aandelen wanneer de koersen hoog zijn, kan de gemiddelde kostprijs van uw aandelen lager zijn dan de gemiddelde prijs over de periode waarin u ze gekocht heeft. Dollar cost averaging is geen garantie voor winst of bescherming tegen verlies in neergaande markten.

Duration

Een graadmeter voor de gevoeligheid van obligaties en koersen van obligatiebeleggingsfondsen voor evoluties van de rentevoeten. Indien een obligatie bijvoorbeeld een duration heeft van twee jaar, zou zijn koers met zowat 2% dalen indien de rentevoeten met één procentpunt zouden stijgen. De koers van de obligatie zou daarentegen met zowat 2% stijgen indien de rentevoeten met één procentpunt zouden dalen.

E

Effecten

Effecten, obligaties, geldmarktinstrumenten en overige beleggingsvehikels.

Equivalente rating

De rating die wordt gehanteerd door een ander Ratingbureau die equivalent is aan de relevante rating bij S&P of Moody's.

Ex-dividend

Betekent letterlijk dat kopers op dat moment geen recht hebben op het volgende dividend. Aandelen gaan ex-dividend in de tussenperiode tussen de aankondiging en de betaling van een dividend. Een fonds dat ex-dividend is gegaan, wordt normaal aangeduid met een 'x' in de lijsten in de kranten.

Expense ratio

Het percentage van de gemiddelde nettoactiva van een portefeuille die worden gebruikt om zijn jaarlijkse kosten te dekken.

G

G7

Groep van Zeven - Frankrijk, de Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Japan, Italië en Canada.

Geannualiseerd rendement

De procentuele stijging of daling van de aandelenkoers of NIW van een portefeuille over een bepaalde tijdsspanne, met herbelegging van de netto-inkomsten (dividenden). Geannualiseerd betekent dat het getoonde cijfer het gemiddelde percentage vertegenwoordigt waartegen het kapitaal elk jaar werd opgerent tijdens de verslagperiode. Het rendement van het fonds wordt doorgaans afgezet tegenover een relevante index of sector.

Gecumuleerd rendement

De procentuele stijging of daling van de aandelenkoers of NIW van een portefeuille over een bepaalde tijdsspanne, met herbelegging van de netto-inkomsten (dividenden). Het rendement van het fonds wordt doorgaans afgezet tegenover een relevante index of sector.

Gemiddelde duration

Een schatting van de mate waarin de aandelenkoers van een obligatiefonds zal schommelen in functie van een verandering in de rentevoeten. Om te zien hoe de koers zou veranderen, dient u de duration van het fonds te vermenigvuldigen met de rentewijziging. Indien de rentevoeten bijvoorbeeld met één procentpunt stijgen, dan zal de aandelenkoers van een fonds met een gemiddelde duration van vijf jaar met zowat 5% dalen. Indien de rentevoeten met één procentpunt dalen, dan zou de aandelenkoers van het fonds met 5% stijgen.

Gemiddelde looptijd

Een gewogen gemiddelde van alle looptijden van de obligaties in een portefeuille, berekend door elke vervaldag (de datum waarop het effect op eindvervaldag komt) te wegen in functie van de marktwaarde van het effect.

Gemiddelde gewogen coupon

De gemiddelde rentevoet betaald op de obligaties die worden aangehouden door een fonds. Deze wordt uitgedrukt als een percentage van de vermelde looptijdwaarde van zijn obligaties.

Groei- en inkomstenfonds

Een beleggingsfonds dat streeft naar de aangroei van het kapitaal op lange termijn en naar lopende dividendinkomsten uit aandelen.

Groeifondsen

Een beleggingsfonds dat vooral belegt in aandelen van bedrijven die bovengemiddelde vooruitzichten bieden voor kapitaalaangroei dankzij hun sterke winsten en omzetpotentieel. Groeiaandelen hebben de neiging om relatief lage dividenden uit te betalen, aangezien deze bedrijven de winsten liever herbeleggen in het bedrijf.

I

Inkomstenfonds

Een beleggingsfonds dat streeft naar lopende inkomsten in plaats van kapitaalaangroei. Inkomstenfondsen beleggen doorgaans in obligaties en/of hoogrenderende aandelen.

Inkomstenrisico

De mogelijkheid dat de dividenden van een portefeuille zullen dalen als gevolg van dalende rentevoeten. Het inkomstenrisico is doorgaans het hoogste voor geldmarktinstrumenten en kortlopende obligaties, en het kleinste voor langlopende obligaties.

Index

Index. Zie benchmark.

Indexfonds

Een passief beheerd beleggingsfonds dat het rendement van een specifieke marktindex wil nastreven.

Indexing

Een beleggingsstrategie met lage kosten die het rendement en de risico-eigenschappen van een index eerder wil benaderen dan kloppen door alle effecten in de index of een statistisch representatief staal van de index aan te houden. Staat ook bekend als passief beheer.

Inflatie

Een algemene stijging van de prijs van goederen en diensten.

Inflatierisico

De mogelijkheid dat stijgingen van de levensduurte de rendementen van een bepaalde belegging zullen verlagen of wegvagen.

Informatie ratio

In het beleggingsjargon is dit de ratio van het verwachte rendement in functie van het risico. Doorgaans wordt deze statistische parameter gebruikt om de prestaties van een beheerder af te zetten tegenover een bepaalde benchmark. Deze graadmeter brengt de mate waarin een belegging de benchmark heeft geklopt uitdrukkelijk in verband met de consistentie waarmee de belegging de benchmark heeft geklopt.

K

Koers/boekwaarde ratio

De koers per aandeel van een aandeel gedeeld door zijn boekwaarde (i.e. nettowaarde) per aandeel. Voor een portefeuille is de ratio de gewogen gemiddelde koers/boekwaarde ratio van de aandelen die hij aanhoudt.

Koers/cashflow

Is een aanvulling op de koers-winstverhouding als een graadmeter van relatieve waarde; vertegenwoordigt een gewogen gemiddelde van de koers/cashflow ratio's van de onderliggende posities in het fonds.

Koers-winstverhouding (K/W)

Een van de benchmarks die portefeuillebeheerders gebruiken waarmee ze bedrijven waarderen. Deze wordt berekend door de aandelenkoers van een bedrijf te delen door zijn winst per aandeel.

Kredietkwaliteit

Een graadmeter voor het vermogen van een obligatie-emittent om de rente en hoofdsom tijdig terug te betalen.

L

Landen van de opkomende markten

Worden aan de hand van de definitie van de Wereldbank vaak beschouwd als landen met een laag tot middelgroot inkomen. Deze groep bestaat momenteel uit meer dan 100 landen en bijna 85% van de wereldbevolking. Deze landen omvatten het grootste deel van Zuidoost-Azië, het Indische subcontinent, volledig Afrika en Latijns-Amerika, Oost-Europa en de voormalige Sovjetunie, alsook delen van Zuid-Europa.

Latijns-Amerika

De landen van Centraal- en Zuid-Amerika (inclusief Mexico, maar exclusief het Caribische gebied)

Looptijd/vervaldag

De datum waarop de emittent van een geldmarktinstrument of obligatie ermee akkoord gaat om de hoofdsom of inleg terug te betalen aan de koper.

M

Marktkapitalisatie

Een bepaling voor de waarde van een bedrijf, waarbij het totale aantal uitstaande aandelen van een bedrijf wordt vermenigvuldigd met de koers per aandeel. Wordt ook kapitalisatie genoemd. Typische opsplitsing marktkap.: large cap (meer dan 12 miljard dollar), medium cap (minder dan 12 miljard dollar; meer dan 1 miljard dollar), small cap (minder dan 1 miljard dollar).

Marktrisico

De mogelijkheid dat aandelen- of obligatiekoersen in het algemeen zullen dalen over korte of zelfs langere periodes. Aandelen- en obligatiemarkten hebben de neiging om in cycli te evolueren, met periodes van stijgende koersen en periodes van dalende koersen.

Minst gunstige rendement

Het laagste obligatierendement dat wordt berekend aan de hand van het rendement tot op vervaldatum en het rendement tot call voor elke obligatie.

MSCI World Index

Een index, gewogen in functie van marktomvang, die de prestatie van de wereldwijde aandelenmarkten benadert. Deze index wordt niet beheerd en wordt gebruikt als de benchmark voor een aantal van de fondsen, omdat deze het universum van effecten vertegenwoordigt waaruit onze analisten kunnen kiezen. Er moet benadrukt worden dat Franklin Templeton Investments aandelen uitkiest op basis van waarde en niet op basis van indexwegingen. Daarom is het mogelijk dat de samenstelling van onze fondsen die van de MSCI World Index niet weerspiegelt.

N

Netto-inventariswaarde (NIW)

De aandelenkoers waartegen het fonds wordt gekocht en verkocht na aftrek van verkoops- of terugkoopkosten. De NIW wordt dagelijks berekend door de waarde van alle effecten die het fonds aanhoudt tegen slotkoers op te tellen met alle andere activa, en de passiva van het fonds daarvan af te trekken. Deze som wordt dan gedeeld door het totale aantal uitstaande aandelen van het fonds.

Nutsbedrijven

Basisdiensten die worden verstrekt door nutsbedrijven, denken we maar aan verwarming, verlichting, energie, water en communicatie.

O

Obligatie

Een schuldeffect op lange termijn, of IOU, uitgegeven door een overheid of bedrijf, dat doorgaans een bepaalde rente betaalt en op de eindvervaldag de nominale waarde terugbetaalt.

Opkomende markten fonds

Een beleggingsfonds dat hoofdzakelijk belegt in landen met ontwikkelende economieën (die dus geïndustrialiseerd worden). Fondsen in opkomende markten zijn doorgaans volatieler dan binnenlandse aandelenfondsen, als gevolg van valutaschommelingen en politieke instabiliteit. Dat zorgt ervoor dat de fondskoersen fors kunnen schommelen.

Out of the money (OTM)

Duidt een optie aan die waardeloos zou zijn indien deze vandaag afliep. Dat kan voorkomen voor een calloptie, wanneer de uitoefenprijs hoger is dan de marktprijs van het onderliggende actief, en voor een putoptie, wanneer de uitoefenprijs lager is dan de marktprijs van het onderliggende actief.

Overheidsschuld

Een schuldverplichting van een overheid, inclusief politieke onderafdelingen, lokale instanties, overheidsinstellingen, bedrijven in handen van de overheid, bedrijven die worden gecontroleerd of gewaarborgd door de overheid en supranationale instellingen.

P

Paraplufonds

Term die wordt gebruikt om een collectief beleggingsfonds te omschrijven, met name de Franklin Templeton Investment Funds, die een aantal compartimenten aanbieden die deel uitmaken van een algemeen fonds, en waar kan worden geswitcht tussen de compartimenten.

Passief beheer

Zie indexing.

Portefeuille

De effecten van een fonds.

Prospectus

Een juridisch document dat potentiële beleggers informatie geeft over een belegging, inclusief een uiteenzetting van zijn beleggingsdoelstellingen en -beleid, risico's, kosten en historische rendementen. Een potentiële belegger dient een prospectus te ontvangen alvorens hij/zij kan beleggen in een specifiek fonds.

Putoptie

Geeft de obligatiehouder het recht om de obligatie terug te verkopen aan de emittent met het oog op een vervroegde terugbetaling. Callable en puttable obligaties zullen meer in detail worden besproken tijdens de tutorial.

R

Registratiedatum

De datum waarop een aandeelhouder officieel aandelen moet hebben om recht te hebben op het dividend. (Zie ook “Ex-dividend”).

Rendement op activa

Is een graadmeter voor de winstgevendheid door het percentage te rapporteren dat wordt verdiend op de activa; berekend door 12 maanden netto-inkomsten te delen door de totale activa.

Rendement (uitkering)

Een overzicht van de rente- en dividendinkomsten van een fonds. Het rendement wordt uitgedrukt als een percentage van de netto-inventariswaarde van een fonds en is gebaseerd op het inkomen verdiend over de afgelopen 30 jaar en wordt geannualiseerd voor het komende jaar.

Rendement (uitkering)

Voor een vastrentend fonds weerspiegelt dit het bedrag dat naar verwachting zal worden uitgekeerd over de komende 12 maanden als een percentage van de midmarket eenheidskoers van het fonds. Het omvat geen provisoire kosten en beleggers worden mogelijk belast op de uitkeringen.

Rendement (historisch)

Voor een aandelenfonds weerspiegelt dit het bedrag dat naar verwachting zal worden uitgekeerd over de komende 12 maanden als een percentage van de midmarket eenheidskoers van het fonds. Het omvat geen provisoire kosten en beleggers worden mogelijk belast op de uitkeringen.

Rendement op eigen vermogen

Een bedrag dat wordt uitgedrukt als een percentage dat verdiend wordt op een belegging in de gewone aandelen van een bedrijf gedurende een bepaalde tijdsspanne. Dit cijfer vertelt de aandeelhouders hoe efficiënt hun geld wordt gebruikt.

Rendement tot call

Het rendementspercentage dat een belegger zou ontvangen indien de effecten die worden aangehouden door een portefeuille werden aangehouden tot hun calldata. Dit rendement is enkel geldig indien de effecten worden gecalld voor de vervaldatum.

Rendement tot op vervaldatum

Het rendementspercentage dat een belegger zou ontvangen indien de effecten die worden aangehouden door een portefeuille werden aangehouden tot hun vervaldata.

Rentevoet

Het bedrag dat wordt aangerekend om geld te ontlenen.

Risicobereidheid

Het vermogen of de bereidheid van een belegger om waardedalingen op te vangen van beleggingen terwijl hij wacht tot ze weer herstellen.

R-Squared

Een graadmeter van de mate waarin de prestaties van een portefeuille kunnen worden verklaard door de rendementen van de brede markt (of een benchmark index). Indien het totale rendement van een portefeuille precies evenveel zou bedragen als dat van de brede markt of een benchmark, zou zijn R-Squared 1,00 bedragen. Indien het rendement van een portefeuille geen enkel verband zou hebben met de rendementen van de markt, dan zou zijn R-Squared 0 bedragen.

S

Schuldeffecten

Een algemene term voor een effect dat geld vertegenwoordigt dat werd ontleend en op een bepaald moment in de toekomst moet worden terugbetaald aan de uitlener. Obligaties, T-bills en geldmarktinstrumenten zijn schuldinstrumenten, maar hebben een variërende looptijd.

Schuld tegenover kapitaal

Is een indicatie voor het percentage schuld in verhouding tot het totale kapitaal; wordt berekend door de totale schuld van elke onderliggende positie in het fonds te delen door het totale kapitaal. Een hoge ratio voor schuld/kapitaal wijst erop dat het bedrijf een hoge schuldhefboom heeft.

S&P 500 Index (Standard & Poor's 500 Index)

Een index van talrijke van de 500 grootste beurskapitalisaties in de Verenigde Staten die alom wordt erkend als graadmeter voor de gezondheid van de Amerikaanse aandelenmarkt.

Sector

Een groep van bedrijven, die vaak gerelateerd is aan een bepaalde sector die bepaalde gemeenschappelijke kenmerken heeft.

Sharpe-ratio

Een graadmeter van het voor risico gecorrigeerde rendement. Om een Sharpe-ratio te berekenen, wordt het meerrendement van een actief (zijn rendement bovenop het rendement gegenereerd door risicovrije activa zoals overheidsobligaties) gedeeld door de standaardafwijking van dat actief.

Standaardafwijking

Een maatstaf van de mate waarin het rendement van een compartiment afwijkt van zijn historische prestaties, of van het gemiddelde van alle gelijkaardige fondsen. Hoe groter de standaardafwijking, hoe groter de kans (en het risico) dat de prestaties van een effect zullen schommelen ten opzichte van het gemiddelde rendement.

T

Top down/bottom up beleggen

De top-down stijl van beleggingsbeheer hecht op de eerste plaats veel belang aan landen- en regionale allocatie, en bottom-up richt zich hoofdzakelijk op individuele effectenselectie. Top-down beheerders richten zich doorgaans op wereldwijde economische en politieke trends bij het selecteren van de landen of regio's waar zij verwachten om beleggingskansen te vinden. Zij maken enkel gebruik van een meer fundamentele analyse van individuele aandelen om hun finale keuzes te maken. Bottom-up beheerders beginnen hun zoektocht doorgaans met fundamentele analyse om bedrijven te vinden waarvan de huidige koers mogelijk geen juiste weergave is van hun potentiële waarde op langere termijn.

Tracking error

Graadmeter voor de afwijking van het rendement van een fonds in vergelijking met het rendement van een benchmark over een bepaalde periode. Uitgedrukt als een percentage. Hoe passiever het beleggingsfonds wordt beheerd, hoe kleiner de tracking error.

V

Volatiliteit

De mate waarin de waarde van een effect, beleggingsfonds of index fluctueert. Volatiliteit wordt vaak uitgedrukt als een wiskundige graadmeter, zoals de standaardafwijking of bèta. Hoe groter de volatiliteit van een fonds, hoe groter de schommelingen tussen zijn hoogtepunten en laagtepunten.

W

Winstgroei

Het gemiddelde jaarlijkse percentage waarmee de winst groeit over een bepaald aantal jaar voor de aandelen die nu in een fonds zitten.